Wetsvoorstel UBO-register gepubliceerd

Op 4 april is het wetsvoorstel tot implementatie van het UBO-register ingediend bij de Tweede Kamer. Toevallig of niet valt dit samen met het nieuws dat naar aanleiding van de zogeheten Panama Papers wereldwijd inmiddels € 1 miljard aan boetes en naheffingen is opgelegd, waarvan circa € 8 miljoen in Nederland. Deze publicaties in 2016 hebben immers mede geleid tot de invoering van het UBO-register.

Op grond van het wetsvoorstel zijn in Nederland opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten vanaf 1 januari 2020 verplicht om informatie te registreren over hun UBO’s: de ultimate beneficial owners of uiteindelijk belanghebbenden. Het UBO-register moet er aan bijdragen dat het financiële stelsel niet wordt gebruikt voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering.

In deze blog aandacht voor de inhoud van het wetsvoorstel en enkele aandachtspunten voor de praktijk.

Voor welke entiteiten geldt het UBO-register?

Het UBO-register geldt voor de volgende in Nederland opgerichte vennootschappen en andere entiteiten:

  • BV en NV;
  • Europese naamloze vennootschap, Europees economisch samenwerkingsverband en Europese coöperatieve vennootschap;
  • coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij;
  • vereniging met volledige rechtsbevoegdheid en vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid die een onderneming drijft;
  • stichting, waaronder bijvoorbeeld ook een Stichting Administratiekantoor;
  • maatschap, commanditaire vennootschap en vennootschap onder firma;
  • rederij.

Dit houdt dus in dat niet iedere entiteit die zich moet inschrijven in het handelsregister, straks gegevens over haar UBO’s moet aanleveren. Zo geldt een uitzondering voor eenmanszaken, publiekrechtelijke rechtspersonen, verenigingen zonder volledige rechtsbevoegdheid die geen onderneming drijven, VvE’s en kerkgenootschappen. Buitenlandse rechtspersonen met een hoofd- of nevenvestiging in Nederland hoeven evenmin hun UBO-informatie in Nederland te registreren. Hiermee wordt voorkomen dat UBO’s van binnen de EU opgerichte entiteiten zich in meerdere lidstaten moeten (laten) registreren.

Ondanks bezwaren vanuit de praktijk vallen ANBI’s (vaak een stichting of vereniging) wel onder de verplichte UBO-registratie. Uit de memorie van toelichting valt verder op te maken dat de registratieplicht voor fondsen voor gemene rekening nog even onduidelijk blijft. Deze wordt namelijk op korte termijn in een afzonderlijk wetsvoorstel – dat ziet op trusts en soortgelijke juridische constructies – vastgelegd. De vergelijking met een trustachtige entiteit lijkt op het eerste gezicht vreemd, omdat een FGR in de praktijk veelal wordt gebruikt als alternatief voor een topholding of STAK, die beiden wel onder het bereik van het huidige wetsvoorstel vallen.

Wie is de UBO en zorgt voor de registratie?

De UBO is altijd een natuurlijk persoon. Per soort entiteit kan de definitie iets verschillen, maar in het algemeen gaat het om de persoon die (indirect):

  • meer dan 25% van de stemrechten kan uitoefenen; of
  • meer dan 25% van het economisch belang heeft; of
  • de feitelijke zeggenschap heeft.

Voorbeeld UBO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij gelijke stemrechten per aandeel is: 

  • A UBO van BV A en van BV C;
  • P UBO van BV B en van BV C, omdat hij doorslaggevende invloed heeft op het stemgedrag van het 30%-belang van BV B in BV C; en
  • Q UBO van BV B.

Zoals verwacht, gaat het UBO-register onderdeel uitmaken van het handelsregister dat wordt beheerd door de Kamer van Koophandel (KvK). De entiteiten zijn zelf verantwoordelijk voor de registratie van de gegevens. Meer concreet geldt dit voor degene aan wie de entiteit toebehoort, de bestuurders of (als die er niet zijn) degene die met de dagelijkse leiding is belast. De opgave moet worden gedaan op het moment van eerste inschrijving in het handelsregister. Voor reeds bestaande entiteiten is een aanvulling verplicht. Het is nog niet duidelijk op welk termijn dit moet gebeuren.

Instellingen die op grond van de Wwft verplicht zijn cliëntenonderzoek te verrichten – zoals banken, advocaten, belastingadviseurs, notarissen en advocaten – zijn verplicht fouten die zij in het register constateren aan de KvK te melden.

Welke informatie wordt openbaar en welke niet?

Het UBO-register bestaat uit een openbaar en niet-openbaar gedeelde. Het openbare deel is (tegen vergoeding) voor iedereen toegankelijk en bevat de naam, geboortemaand en -jaar, woonstaat, nationaliteit en de aard en omvang van het door de UBO gehouden economische belang.

Omwille van de privacy is er voor gekozen om in het openbare deel niet de exacte omvang te registreren, maar te werken met bandbreedtes: meer dan 25% tot 50%, van 50% tot 75% en van 75% tot en met 100%. Los van de privacy heeft dit ook als voordeel dat (kleine) wijzigingen niet direct hoeven worden doorgegeven, zolang die binnen de bandbreedte vallen.

Ondanks het feit dat niet alle informatie openbaar wordt, is het straks voor derden, zoals een nieuwsgierige journalist of buurman, aan de hand van de jaarrekening van een B.V. natuurlijk kinderlijk eenvoudig om een inschatting van iemands (zakelijke) vermogen te maken. Dit vormt dan ook het grootste punt van kritiek in de praktijk.

Het niet-openbare deel is alleen toegankelijk voor bevoegde autoriteiten – zoals het Openbaar Ministerie, de politie, de Belastingdienst en de Financiële inlichtingen eenheid (FIU-NL) – en bevat de volgende aanvullende informatie:

  • geboortedag, -plaats en -land;
  • adres;
  • BSN of buitenlands fiscaal identificatienummer (TIN);
  • afschrift van documentatie op grond waarvan de identiteit van de UBO is geverifieerd; en
  • afschrift van documentatie waarmee wordt onderbouwd waarom een persoon de status van UBO heeft en waarmee de aard en omvang van het door de UBO gehouden economisch belang wordt aangetoond.

Zijn er nog escapes mogelijk?

Dat het wetsvoorstel ten koste gaat van de privacy van veel Nederlandse DGA’s staat wel vast. Of zoals de memorie van toelichting het zo mooi omschrijft: “voorziet het onderhavige wetsvoorstel in openbaarmaking van gegevens die eerder niet openbaar waren.”  Dat roept ook direct de vraag op of er nog mogelijkheden zijn om onder de verplichte registratie uit te komen.

De UBO kan in zeer specifieke situaties een verzoek indienen bij de KvK tot afscherming van zijn gegevens. Dit is alleen mogelijk indien de UBO door het openbaar beschikbaar maken hiervan blootgesteld wordt aan een onevenredig risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie of indien de UBO minderjarig is of anderszins handelingsonbekwaam. Wanneer sprake is van een onevenredig risico en hoe dit kan worden aangetoond, zal nog nader worden uitgewerkt in het Handelsregisterbesluit.

Deze uitzondering is naar verwachting in een zeer beperkt aantal gevallen aan de orde. Alternatief kan daarom zijn gebruik te maken van een privacy structuur. In dat geval moet nog steeds informatie over de UBO worden aangeleverd, maar is de jaarrekening niet openbaar en blijft het vermogen dus buiten het zicht van het grote publiek. In voorkomende gevallen kan ook gebruikt worden gemaakt van buitenlandse vennootschappen.

Of het UBO-register daadwerkelijk gaat helpen bij de bestrijding van witwassen en financiering van terrorisme is nog maar de vraag. De Belastingdienst zelf is in de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel in ieder geval vrij kritisch, omdat het voorstel fraudegevoelig is en handhaving op de juistheid slechts beperkt effectief zal zijn. Dit belooft weinig goeds.

Heeft u vragen over het UBO-register en de gevolgen voor uw privacy? Neem dan contact op met Watermill. Wij helpen uw graag verder.

Rogier Pak

Bij het adviseren van vermogende particulieren en hun families op het gebied van (inter)nationale estate planning staan voor Rogier de wensen van zijn cliënten voorop. Vervolgens zoekt hij de optimale juridische en fiscale oplossing.

rpak@watermill.nl
📞 030-3074910
Rogier Pak