De Belastingdienst is strikt als het gaat om toekenning van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de Successiewet. Een deel van het beleid waarop de Belastingdienst zich hierbij baseert, volgt uit de parlementaire geschiedenis en het BOR-besluit. Maar in de praktijk krijgen adviseurs ook regelmatig te maken met inspecteurs die een verzoek om toepassing van de BOR afwijzen met een beroep op niet-gepubliceerd ‘beleid’. Er ontstaat zo nu en dan de indruk dat deze uitleg (te) restrictief is en lang niet altijd in overeenstemming met het doel en strekking van de wet: het faciliteren van reële bedrijfsopvolgingen.

Met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) is daarom verzocht het interne beleid openbaar te maken. Op 23 juli 2018 is gehoor gegeven aan het verzoek en zijn verschillende standpunten van de kennisgroep van de Belastingdienst gepubliceerd. In deze blog komen een aantal van die standpunten aan bod.

Hoe kijkt de kennisgroep aan tegen de bezitseis in de Successiewet?

Zoals bekend, geldt voor de BOR in de Successiewet een bezitseis. Deze houdt kortgezegd in dat een erflater minimaal 1 jaar voorafgaand aan zijn overlijden de aanmerkelijk belangaandelen moet houden en de vennootschap gedurende deze periode (direct of indirect) een onderneming drijft. Bij schenking geldt een periode van 5 jaar.

Het gepubliceerde document bevat diverse voorbeelden waarin de bezitseis naar voren komt. Om te beginnen de situatie waarin een bestaande onderneming zijn activiteiten uitbreidt. Dit is uiteraard aan de orde van de dag. Binnen een normale bedrijfsvoering is het ondenkbaar dat de onderneming voorafgaand aan een bedrijfsopvolging voor 1 jaar respectievelijk 5 jaar ‘op slot gaat’ om te kunnen profiteren van de BOR.

Toch is dat wat de kennisgroep voor ogen staat: “Wanneer een onderneming wordt uitgebreid met een zelfstandig gedeelte van een andere onderneming moet het ‘nieuwe gedeelte’ zelfstandig worden getoetst aan het bezitsvereiste. Het maakt daarbij niet uit of het bijgekochte gedeelte aansluit bij de reeds gedreven onderneming. Tevens is niet van belang of de aankoop is gefinancierd met eigen liquide middelen die zonder deze aankoop kwalificeerden als tijdelijke overtollige liquide middelen aangehouden als overnamekas.”

Het kan toch niet zo zijn dat het alleen is toegestaan een onderneming inclusief overnamekas over te dragen en vervolgens de activiteiten uit te breiden?

De gevolgen van een verlettering van aandelen voor de bezitseis

Gedurende een bedrijfsopvolgingstraject met meerdere aandeelhouders kan het wenselijk zijn aandelen in de holding te verletteren, bijvoorbeeld voor het voeren van een afzonderlijke dividendpolitiek. Volgens de kennisgroep maakt een verlettering inbreuk op een lopende bezitstermijn, omdat voor deze situatie niet expliciet een tegemoetkoming is opgenomen in de Uitvoeringsregeling. Het feit dat verletteren voor het aanmerkelijk belang niet wordt aangemerkt als een vervreemding, maakt dit niet anders.

De vervreemding voor het aanmerkelijk belang is uiteraard niet één op één gelijk te stellen met de bezitseis in de Successiewet. Maar het is wel redelijk deze fiscale vereenzelviging door te trekken, zolang er vanuit de positie van de overdrager materieel niets verandert en deze de aandelen samengeteld lang genoeg bezit. Het zou prettig zijn als deze situatie expliciet wordt goedgekeurd.

Een legaat van indirect gehouden aandelen in een werkmaatschappij

Bij DGA’s die ten tijde van hun overlijden nog niet (volledig) in hun opvolging hebben voorzien, komt het regelmatig voor dat de holding naast een deelneming in de actieve werkmaatschappij(en) ook nog beleggingsvermogen op de balans heeft staan. Indien niet alle kinderen binnen de onderneming werkzaam zijn, kan het wenselijk zijn dat alleen de aandelen in de onderneming aan de bedrijfsopvolger toekomen en de aandelen in de holding aan anderen.

Dit kan de DGA bijvoorbeeld in zijn testament regelen via een legaat van de indirect gehouden aandelen in de werkmaatschappij. Vanwege een goedkeuring in onderdeel 3.8 van het BOR-besluit leek deze situatie te kwalificeren voor de BOR. Maar wat blijkt, de kennisgroep legt deze goedkeuring zeer beperkt uit: “In onderdeel 3.8 van het BOR-besluit is een tegemoetkoming gegeven voor een indirecte verkrijging van aandelen (hier: Werkmaatschappij). Dat onderdeel is echter beperkt tot situaties van schenking. En kan dus niet bij overlijden (erfbelasting).” 

Deze uitkomst is wel heel opmerkelijk. Nu het besluit speciaal een goedkeuring bevat voor de verkrijging van indirecte aandelen ligt het toch voor de hand dat deze niet alleen geldt voor een indirecte schenking, maar ook voor een indirecte vererving? Het is maar te hopen dat in de niet openbaar gemaakte passages die op dit antwoord volgen, nadere beschouwingen zijn opgenomen op grond waarvan inspecteurs de vrijheid krijgen om van deze strikte interpretatie van het BOR-besluit af te wijken.

Hoe nu verder met de BOR?

De uitkomsten van het WOB-verzoek bieden een inkijk in het niet eerder gepubliceerde interne beleid van de Belastingdienst ten aanzien van de BOR. Dit is op sommige punten verhelderend, maar laat ook nog veel vragen onbeantwoord mede door de geschrapte passages.

Duidelijk is dat de Belastingdienst de wet- en regelgeving in bepaalde gevallen te restrictief uitlegt. Zodra er voor een concrete situatie geen tegemoetkoming is gegeven, wordt de BOR niet van toepassing geacht, ook al past een en ander wel binnen doel en strekking van de wetgeving. Dit is lastig voor de praktijk en levert bij een bedrijfsopvolgingstraject regelmatig (onnodige) discussies op, bijvoorbeeld over de bezitseis.

Adviseurs én inspecteurs zijn gebaat bij duidelijkheid. Dat voorkomt een hoop gedoe. Wellicht is het een idee de vrijstelling (iets) te verlagen, maar het toepassingsbereik te verruimen? De toekomst gaat het uitwijzen. Tot die tijd is het van belang steeds goed te checken of de BOR in uw situatie wel van toepassing is. Goed nadenken vooraf kan heel veel financieel (belasting)leed achteraf schelen!

Rogier Pak

Bij het adviseren van vermogende particulieren en hun families op het gebied van (inter)nationale estate planning staan voor Rogier de wensen van zijn cliënten voorop. Vervolgens zoekt hij de optimale juridische en fiscale oplossing.

rpak@watermill.nl
📞 030-3074910
Rogier Pak